DISCUSSIEFORUM
Door de klimaatverandering verwacht men een stijging van de zeespiegel, grotere piekafvoeren van de rivieren en een toenemende droogte in de zomer. De commissie-Veerman kwam met een uitgebreid advies voor aanpak, dat grotendeels in het Nationaal Waterplan is verwerkt. De Deltacommissaris heeft nu zijn eerste programma gepresenteerd maar laat in media doorschemeren dat hij bestaande plannen opnieuw in beschouwing wil nemen en in ieder geval wil trachten met minder kostbare maatregelen het gestelde doel te bereiken.
Ingenieurs Gerd Kamerling en Gé Beaufort roepen daarom op nog eens naar alternatieven te kijken. Kamerling en Beaufort stellen dat het verder uitgewerkte ‘Plan Beaufort’ een hogere veiligheid en een betere zoetwatervoorziening oplevert tegen minder kosten.

Plan Beaufort in kaart
200 jaar vooruitkijken Het Plan Beaufort gaat in principe uit van een tijdshorizon van circa 200 jaar. Op basis van de gegevens uit het rapport van de Commissie Veerman wordt aangenomen dat in het jaar 2200 de piekafvoer van de Rijn 22.000 m3/s kan bedragen en de zeespiegel inmiddels (tenminste) 2 meter kan zijn gestegen. De tijdshorizon is bewust verruimd tot 200 jaar om een aantal problemen met betrekking tot de adviezen van de Commissie Veerman duidelijk te maken en omdat het ontwerpen van waterbouwkundige werken voor een tijdsperiode van 200 jaar gebruikelijk is. Een essentieel onderdeel van het Plan Beaufort, dat als concept werd ontwikkeld binnen Rijkswaterstaat, is de bouw van een verdeelwerk in het Pannerdensch kanaal. Dit verdeelwerk kan de toevoer van de Rijn naar IJssel, Nederrijn en Waal regelen en kan zo een groot deel van de problematiek oplossen, zonder de bezwaren die gepaard gaan met de adviezen in het rapport van de Commissie Veerman.
Plannen Veerman Het advies van de Commissie Veerman heeft betrekking op de periode tot het jaar 2100. Voor deze periode wordt uitgegaan van een maximaal te verwachten stijging van de zeespiegel van 1,3 m, een maximaal te verwachten debiet van de Rijn bij Lobith van 18.000 m3/s en een toenemende droogte in de zomer. Een aantal belangrijke aanbevelingen van de Commissie worden hieronder weergegeven.
- Bij het huidige project “Ruimte voor de Rivier” wordt zonder verhoging van dijken de maximaal mogelijke afvoer van de Rijn via IJssel, Nederrijn en de Waal van 15.000 naar 16.000 m3/s gebracht; de Commissie Veerman wil deze afvoercapaciteit vergroten tot 18.000 m3/s, rekening houdend met een mogelijke zeespiegelstijging van 1,3 meter. Voor de Maas geldt een min of meer identiek verhaal.
- Het peil van het IJsselmeer zou geleidelijk moeten worden verhoogd tot maximaal 1,50 meter in het jaar 2100. Hiermee wordt beoogd om bij een stijgende zeespiegel lozing van water vanuit het IJsselmeer naar de Waddenzee via spuisluizen tot het jaar 2100 veilig te stellen. Tevens wordt hierdoor de zoetwatervoorraad van het IJsselmeer vergroot, hetgeen bij de te verwachten toenemende droogte van groot belang wordt geacht.
- De beveiliging van het Rijnmondgebied vraagt bij een stijgende zeespiegel extra aandacht. De Commissie Veerman kiest daarbij voor een ‘afsluitbaar open’ variant. Bij hoge waterstanden op zee kan het Rijnmondgebied, evenals in de huidige situatie, worden afgesloten door middel van hoogwaterkeringen. De beweegbare Maeslantkering sluit daarbij de Nieuwe Waterweg af. Wel moet hierbij worden opgemerkt dat de huidige hoogwaterkeringen, zoals de Oosterscheldekering en de Maeslantkering, zijn ontworpen op een stijging van de zeespiegel van circa 0,5 meter.
- Hoge waterstanden op zee kunnen samengaan met piekafvoeren van de grote rivieren, terwijl de lozing op zee dan is geblokkeerd. De Commissie Veerman denkt dit probleem op te lossen door het creëren van berging van het zoete rivierwater in het Haringvliet, Krammer,Volkerak, Zoommeer, Grevelingen en eventueel de Oosterschelde.
Nadelen van plannen De hierboven geschetste maatregelen leveren een aantal bezwaren op:
- Verhoging van de afvoercapaciteit van rivieren door alleen ‘ruimte in de rivieren’ te creëren, is niet alleen kostbaar, maar heeft ook zijn grenzen. Bij een stijgende zeespiegel kunnen in de toekomst piekafvoeren van rivieren alleen veilig worden afgevoerd als rivierdijken worden verhoogd.
- De voorgestelde peilverhoging van het IJsselmeer is zeer kostbaar, omdat langs het gehele IJsselmeer en een deel van de IJssel niet alleen dijken moeten worden verhoogd en versterkt, maar ook allerlei voorzieningen in bijvoorbeeld jachthavens moeten worden aangepast en de bescherming van historische steden langs het IJsselmeer voor extra problemen zorgt.
- De ‘afsluitbaar open’ variant en de daarbij noodzakelijke bergingscapaciteit voor rivierwater brengt risico’s met zich mee, terwijl tijdelijke berging van zoet water in zoute gebieden als een noodoplossing moet worden gezien.
- Bij de ‘afsluitbaar open’ variant kan het water van de Lek bij sluiting van de hoogwaterkeringen niet worden afgevoerd. In het rapport van de Commissie Veerman wordt aangegeven dat dit probleem nog moet worden opgelost.
- De verzilting van West-Nederland via de Nieuwe Waterweg kan steeds moeilijker worden bestreden door gebrek aan voldoende rivierafvoer.
Plan Beaufort: verdeelwerk in Pannerdensch kanaal Het Plan Beaufort komt, zoals nu zal worden weergegeven, aan zojuist genoemde bezwaren tegemoet. Een essentieel onderdeel van het Plan Beaufort, dat als concept werd ontwikkeld binnen Rijkswaterstaat, is de bouw van een verdeelwerk in het Pannerdensch kanaal. Met dit verdeelwerk kan de toevoer van de Rijn naar IJssel, Nederrijn en Waal worden geregeld. Hiermee kan in elk geval worden voorkomen dat piekafvoeren van de Rijn ook piekafvoeren naar IJssel en Nederrijn inhouden. Vanzelfsprekend zal dan meer water door de Waal naar zee moeten worden afgevoerd, maar deze extra afvoer is gemakkelijker en goedkoper door middel van dijkverhogingen te realiseren dan in het geval die extra afvoer plaatsvindt via IJssel en Nederrijn. Drie beweegbare hoogwaterkeringen In het Plan Beaufort is de bouw van drie beweegbare hoogwaterkeringen opgenomen (Spui, Dortse Kil en Beneden Merwede). Het gebied ten Noorden van de Waal, Merwede, Hollands Diep en Haringvliet wordt daardoor gevrijwaard van noodzakelijke dijkverhogingen en dijkversterkingen. Dit geldt ook in het geval van grote piekafvoeren (22.000 m3/s), waar in de loop der tijd rekening mee gehouden zou moeten worden. Het gebied ten zuiden van zojuist genoemd gebied wordt in feite op identieke wijze beschermd bij een voldoende ophoging en versterking van de dijken op de linkeroever. Voor de Maas zou moeten worden nagegaan of de Maas niet via de Waal naar zee zou kunnen worden afgevoerd. In dit laatste geval zou men een situatie creëren, waarbij zowel ten Noorden als ten Zuiden van de grote afvoerweg van de Waal tot in de verre toekomst dijkverhoging en dijkversterking onnodig wordt.
Open verbinding met zee In tegenstelling tot de ‘afsluitbare open’ variant voor het Rijnmondgebied voorziet het Plan Beaufort in een altijd open verbinding met zee, waarbij De Waal en de Maas via het Haringvliet naar zee stromen. De sluizen in het Haringvliet staan ook bij extreem hoge waterstanden op zee open, terwijl toch de afvoer van de Waal en de Maas veilig naar zee plaatsvindt. Om een dergelijke situatie te verkrijgen moet de afvoerroute van Waal en Maas van volstrekt veilige dijken worden voorzien (voldoende hoog, breed en overstromingsbestendig) en moeten de eerder genoemde drie hoogwaterkeringen (figuur 2) aan de zwaarste eisen voldoen.
Twee dijkringen In zojuist geschetst Plan Beaufort kent Nederland slechts een Noordelijke en een Zuidelijke dijkring (figuur 3). De veiligheid van Nederland hangt dan primair af van ca 1000 km dijk en 200 km duin. De overblijvende dijken met een totale lengte van 2500 km behoeven dan niet verder te worden verhoogd en versterkt.

Twee dijkringen voor heel Nederland
Permanent afsluiten Nieuwe Waterweg Aan het hiervoor geschetste beeld van het Plan Beaufort ontbreekt nog een belangrijk punt, namelijk het op termijn permanent afsluiten van de Nieuwe Waterweg. Een dergelijke afsluiting wordt noodzakelijk geacht uit veiligheidsoverwegingen en om verdere verzilting van West-Nederland zo goed mogelijk tegen te gaan. De grote hoeveelheid zoet water, die nodig is voor het terugdringen van de zouttong in de Nieuwe Waterweg, kan dan worden benut voor de zoetwatervoorziening van Zuidwest Nederland en om de reeds geplande zoetzout overgangen in de Zuidwestelijke delta te realiseren. Uitgaande van de te verwachten toenemende droogte in Nederland, is bij de huidige inzichten afsluiting van de Nieuwe Waterweg op termijn onvermijdelijk. Om de scheepvaart zo min mogelijk te belemmeren, moeten uiteraard de nodige voorzieningen worden getroffen.
Peilverhoging IJsselmeer kostbaar en hooguit tijdelijke oplossing Hoewel het Plan Beaufort daar oorspronkelijk niet voor was bedoeld, levert het nieuwe inzichten op ten aanzien van de problematiek van het IJsselmeer en de door de Commissie Veerman beoogde verhoging van het peil met 1,5 meter. Ook de Commissie Veerman gaat ervan uit dat bij de te verwachten doorgaande stijging van de zeespiegel, het peil van het IJsselmeer niet verder kan worden verhoogd om lozing van overtollig water van het IJsselmeer via spuisluizen naar de Waddenzee mogelijk te maken. Uiteindelijk zal men daarom moeten overgaan tot het verpompen van overtollig water vanuit het IJsselmeer naar de Waddenzee. Uitgaande van de gegevens in het rapport van de Commissie Veerman kan een dergelijke situatie zich reeds de volgende eeuw voordoen. Verhoging van het IJsselmeerpeil met 1,5 meter levert dus slechts een tijdelijke, maar zeer kostbare, oplossing op om overtollig water van het IJsselmeer via spuisluizen naar de Waddenzee te lozen.
Verdeelwerk beperkt aanvoer Het plan Beaufort, met zijn verdeelwerk in het Pannerdensch kanaal, maakt het echter mogelijk de aanvoer naar de IJssel zodanig te beperken, dat de pompcapaciteit voor overtollig water van het IJsselmeer tot een minimum wordt beperkt van naar schatting 200-300 m3/s. Een dergelijk te verpompen debiet is niet extreem, omdat thans een dergelijke pompcapaciteit bij IJmuiden reeds aanwezig is. Uit lozingsoverwegingen lijkt een verhoging van het IJsselmeerpeil dan ook onjuist. Nader onderzoek zou moeten aantonen of een geringe verhoging van het IJsselmeerpeil mogelijk noodzakelijk is om de zoetwatervoorziening veilig te stellen. Bij afsluiting van de Nieuwe Waterweg krijgt men echter automatisch de beschikking over meer zoet water, dat ook bij geringe afvoeren in principe aan het riviersysteem kan worden onttrokken. Zuidwest-Nederland zou met name op deze wijze van zoet water kunnen worden voorzien en behoeft de zoetwatervoorraad in het IJsselmeer hooguit te worden aangewend voor die gebieden, die nu reeds standaard vanuit het IJsselmeer van zoet water worden voorzien.
Oplossing voor afvoer Lek Als laatste, maar niet onbelangrijk punt, kan worden vermeld dat de problematiek van de afvoer van de Lek ten tijde van gesloten hoogwaterkeringen bij het Plan Beaufort is opgelost, omdat met behulp van het verdeelwerk in het Pannerdensch kanaal de toevoer naar de Nederrijn en Lek tijdelijk kan worden stopgezet.
Gefaseerd en flexibel uitvoeren Grote waterbouwkundige werken, zoals de Oosterscheldekering, werden in principe ontworpen voor het functioneren gedurende twee honderd jaar. Daarop aansluitend gaat ook het Plan Beaufort uit van een tijdshorizon tot het jaar 2200. De noodzakelijk geachte maatregelen worden waar mogelijk gefaseerd uitgevoerd op basis van voortschrijdend inzicht en meetgegevens betreffende rivierafvoeren en zeespiegelstanden. Bij een dergelijke werkwijze worden de kosten geminimaliseerd. Het Plan Beaufort kan en moet in verschillende fasen worden uitgevoerd. Met name de noodzakelijke dijkverhogingen moeten gefaseerd worden uitgevoerd, gebaseerd op meetgegevens en voortschrijdend inzicht. Het Plan Beaufort maakt een flexibele en gefaseerde planning en uitvoering mogelijk, waardoor het maken van onnodige kosten wordt voorkomen.
Dr.Ir. G.E. Kamerling en Ing. G. A. Beaufort
(WaterForum, 6 oktober 2010) |