Minister Eurlings pleit voor afronding Deltawet
|
Demissionair minister voor Verkeer en Waterstaat, Camiel Eurlings, zegt 'het ten zeerste te betreuren' als de Deltawet niet met de Tweede Kamer zou kunnen worden afgerond. Eurlings schrijft dit in een brief waarin hij de Kamer informeert over de consequenties die verbonden zijn aan het controversieel verklaren van het dossier Nationaal Waterplan. Hij benadrukt dat de Tweede Kamer zelf destijds bij diverse projecten heeft aangedrongen op haast, zoals de aanstelling van een Deltacommissaris, maar dat zij nu de uitvoering zelf vertragen. Eurlings loopt in zijn brief de grote programma’s stuk voor stuk langs.
“Ik zie de wet als belangrijk kader voor de werkzaamheden voor het Deltaprogramma die in een later stadium pas leiden tot inhoudelijke budgetten/besluiten die dan aan een nieuw kabinet worden voorgelegd”, zo schrijft Eurlings. Eerder heeft ook de Unie van Waterschappen al kenbaar gemaakt het onverantwoordelijk te vinden als de nieuwe Deltawet controversieel wordt verklaard vanwege de kabinetscrisis.
Kamer drong zelf aan op haast Eurlings wijst er op dat de Kamer zelf in oktober 2009 met spoed heeft gevraagd om de benoeming van een Deltacommissaris, vooruitlopend op de formele indiening van de wet. De Deltacommissaris is op 1 februari met zijn werkzaamheden gestart. In de Deltawet wordt de rol en positie van de Deltacommissaris wettelijk geborgd, evenals de komst van het Deltafonds.
Deltacommissaris en klimaatscenario’s Het controversieel verklaren van de Deltawet kan ook consequenties hebben ten aanzien van het verzoek dat het Kabinet op 4 maart aan de Deltacommissaris heeft gedaan om in het eerste Deltaprogramma expliciet in te gaan op de kritische kanttekeningen die gemaakt zijn rond de gehanteerde klimaatscenario’s ten behoeve van het waterbeleid.
Eurlings: koers waterbeleid ligt al vast In de visie van Eurlings kan het waterbeleid dat al eerder in uitvoering is genomen en besproken met de Tweede Kamer onverminderd worden uitgevoerd. Het Nationaal Waterplan, dat op 12 december 2009 door het kabinet is vastgesteld en op 22 december gepubliceerd, is de beleidsnota voor het nationale waterbeleid op basis van de nieuwe Waterwet en wordt eens in de zes jaar opgesteld. Daarnaast is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten structuurvisie op basis van de Wet ruimtelijke ordening.
Europese verplichtingen Het waterbeleid dat onverminderd kan worden uitgevoerd betreft volgens Eurlings onder meer de uitvoering van de rivierverruimingsprojecten (Ruimte voor de Rivier en Maaswerken), het Hoogwaterbeschermingsprogramma, de versterking van de Zwakke Schakels Kust en de zeeweringen in Zeeland, maatregelen in het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water actueel en de Stroomgebiedbeheerplannen voor Eems, Maas, Rijndelta en Schelde die zijn opgesteld op basis van de Europese Kaderrichtlijn Water. De minister: "Ik acht het van groot belang dat deze maatregelen voor de veiligheid en voortvloeiend uit Europese verplichtingen worden voortgezet."
Gevolgen voor structuurvisiedeel Nationaal Waterplan Verder verwacht Eurlings dat het controversieel verklaren alleen gevolg heeft voor het structuurvisiedeel van het Nationaal Waterplan voor zover het gaat om nieuw beleid. De Wet ruimtelijke ordening stelt namelijk verdergaande eisen aan de procedure van het structuurvisiedeel van het Nationaal Waterplan dan de Waterwet: “Relevant in dit verband is dat de Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat met de verwezenlijking van de structuurvisie niet eerder een aanvang wordt gemaakt dan acht weken nadat het aan het parlement is toegezonden. Als het parlement aangeeft over de structuurvisie te willen beraadslagen, wordt met verwezenlijking niet eerder een aanvang gemaakt dan zes maanden na publicatie. Aangezien u heeft aangegeven over het Nationaal Waterplan te willen beraadslagen, is aan deze voorwaarde voldaan. Dit betekent dat niet begonnen kan worden met de uitvoering van het structuurvisiedeel tot in ieder geval zes maanden na 22 december 2009”, aldus de minister.
Niet onder structuurvisie Een aantal voorbeelden van beleid dat niet onder het structuurvisiedeel valt is de ontwikkeling van nieuwe normen voor waterveiligheid in 2011, de voorbereiding van het besluit voor de lange termijn zoetwatervoorziening in 2015, de voorbereiding van de korte en lange termijn besluiten over de peilstijging in het IJsselmeergebied en mogelijke alternatieven in 2015 en het onderzoek naar de verschillende varianten in het Rijnmond-Drechtstedengebied in 2015. De definitieve besluitvorming over deze beleidsonderzoeken en verkenningen zal plaatsvinden door het volgende kabinet.
Controversieelverklaring De maatregelen die in deze onderdelen van het Nationaal Waterplan zijn opgenomen en die tevens nieuw zijn, zullen volgens de minister bij een controversieelverklaring niet eerder worden gestart dan nadat er met de Tweede Kamer over is gesproken. Dat geldt bijvoorbeeld voor het laten vervallen van de compensatie-eis voor waterbergend vermogen bij het toestaan van kleinschalige en grootschalige (in Amsterdam, Almere, Lelystad en Harderwijk) buitendijkse bebouwing. Dit is ook van belang voor de verdere voorbereiding van de besluitvorming in dit gebied zoals beschreven in de RAAM-brief van het kabinet uit 2009. Dat geldt tevens de aanwijzing van reserveringsgebieden voor zandwinning op de Noordzee. De controversieelverklaring heeft volgens Eurlings geen consequenties voor zandwinning ten behoeve van kustverdediging en bouwgrondstoffen op de korte termijn.
Structuurvisie Afsluitdijk Minister Eurlings dringt er voorts bij de Tweede Kamer op aan om met het oog op de veiligheid alle voorbereidingen voort te zetten die moeten leiden tot een toekomstige versterking en multifunctionele inrichting van de Afsluitdijk. De Afsluitdijk is in 2006 afgekeurd op basis van de huidige wettelijke veiligheidsnormen. Het kabinet is voornemens in 2010 een besluit te nemen over de toekomst van de Afsluitdijk. Conform de MIRT-systematiek zal dit gebeuren middels een voorkeursbeslissing in de vorm van een structuurvisie. Op 29 januari 2010 is dit aangekondigd door de voormalige staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat. Eurlings: “Het controversieel verklaren van deze brief betekent dat het kabinet thans niet de concept voorkeursbeslissing kan nemen. Daarmee zal er vertraging worden opgelopen tot het aantreden van een nieuw kabinet, waardoor de definitieve besluitvorming pas in 2011 kan plaatsvinden.”
Project IJsseldelta-Zuid bij Kampen Het kabinet heeft in het Nationaal Waterplan aangegeven te willen meewerken aan de hoogwatergeul Kampen. De hoogwatergeul wordt gecombineerd uitgevoerd met de zomerbedverdieping van de PKB Ruimte voor de Rivier. Door de uitvoering van de zomerbedverdieping en de hoogwatergeul te combineren wordt geanticipeerd op hogere rivierafvoeren, wordt integrale gebiedsontwikkeling (IJsseldelta-Zuid) mogelijk gemaakt en kan werk met werk worden gemaakt. Naar aanleiding van het algemeen overleg over Ruimte voor de Rivier van 3 december 2009 heeft de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat de Tweede Kamer geïnformeerd over hoe de CPB-beoordeling is betrokken bij het besluit van het kabinet om mee te werken.
Minister Eurlings: “U heeft mij geïnformeerd dat u het CPB heeft verzocht om een nadere toelichting te geven op een tweetal punten. Ik acht het van groot belang dat de voorbereidingen voor de definitieve beslissing over de hoogwatergeul, door het volgend kabinet te nemen in 2011, kunnen worden voortgezet. De hoogwatergeul wordt namelijk gecombineerd uitgevoerd met de zomerbedverdieping in het kader van Ruimte voor de Rivier. Deze moet uiterlijk in 2015 zijn uitgevoerd. Ik zal u tussentijds informeren over de voortgang van dit project bij de halfjaarlijkse voortgangsrapportages over Ruimte voor de Rivier.”
Doelmatig waterbeheer Het controversieel verklaren van het dossier doelmatig waterbeheer betekent volgens Eurlings dat het voornemen om een kabinetsbesluit per 1 april 2010 naar de Tweede kamer te sturen over het doelmatiger organiseren van het waterbeheer niet door kan gaan. Dit besluit is aangekondigd in de brief van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 11 december 2009. De minister: “Dat betekent dat de voorwaarden die noodzakelijk zijn om de in te boeken doelmatigheidswinst te kunnen realiseren, niet kunnen worden ingevuld en dat de rijksbegroting niet per 2011 kan worden ontlast met 75 miljoen euro op het Hoogwaterbeschermingsprogramma en 25 miljoen provinciefonds (muskusratbestrijding).”
Normal 0 21 false false false MicrosoftInternetExplorer4 /* Style Definitions */ table.MsoNormalTable {mso-style-name:Standaardtabel; mso-tstyle-rowband-size:0; mso-tstyle-colband-size:0; mso-style-noshow:yes; mso-style-parent:""; mso-padding-alt:0cm 5.4pt 0cm 5.4pt; mso-para-margin:0cm; mso-para-margin-bottom:.0001pt; mso-pagination:widow-orphan; font-size:10.0pt; font-family:"Times New Roman"; mso-ansi-language:#0400; mso-fareast-language:#0400; mso-bidi-language:#0400;}
Het overige nieuws van deze week >>
Informatie over toeleveranciers van producten en diensten >>
|